
Grenzen
Column Gijs van der ZalmIn de vorige column werd onderscheid gemaakt tussen ‘vrijheid’ en ‘niets in de weg leggen’. Hierover is veel te doen in opvoedingsland en het is met even zoveel misverstanden omgeven. Want bij het hanteren van de bovenstaande begrippen wordt er nogal eens vanuit gegaan dat kinderen als volwassenen naar de wereld kijken, en dat ze te allen tijde in staat zijn om hun eigen belangen en belangetjes goed in te schatten en te behartigen. Niets is minder waar. Een kind ‘niets in de weg leggen’ komt neer op een vorm van grenzeloosheid en dus van ‘goedaar-dige verwaarlozing’ en dat is iets waar een kind niet bij kan gedijen. Immers, de hersenontwik-keling van een kind is van dien aard dat het, afhankelijk van de leeftijd (4 jaar is geen 14 jaar), nog lang niet in staat is om de werkelijkheid in te schatten zoals een volwassene dat kan doen. Dus door een kind een ‘volwassen manier van denken en oordelen’ toe te dichten, ga je voorbij aan het feit dat een kind, met alle toeters en bellen die daaraan vast zitten, zich in een andere ontwikkelingsfase dan de volwassene bevindt: bepaalde risico’s of gevaren niet ziet of niet goed kan inschatten, alleen maar lekkere (lees: zoete) dingen wil eten, geen ‘zin’ heeft in noodza-kelijke stappen die moeten worden gezet, enz. Zo is er ook een idee ontstaan dat kinderen altijd, letterlijk en figuurlijk, uit de wind moeten worden gehouden. Vanuit een biologisch oogpunt is dat een rampzalige opvatting, want het zou betekenen dat ouders hun kind willen weghouden bij alles en nog wat dat het zou kunnen schaden. Het lichaam van een baby is in de eerste maanden van het leven heel druk bezig om weerstand op te bouwen tegen ‘vreemde indringers’ (o.a. de bacteriële en virale wereld). Zo weten ouders dat de dagopvang veel gesnotter en gedoe met zich mee kan brengen, ongemakkelijk en hinderlijk, maar wel bevorderlijk voor de opbouw van de weerstand daartegen bij een kind. Eenmaal wat ouder, gaat een kind zelf meer willen, een fase in de ontwikkeling, en ook dat merken ouders. En als je dan als ouder denkt dat je je kind tekort doet als je het ‘iets in de weg legt’, dus als je het kind grenzen aangeeft, dan vergeet je iets heel belangrijks, namelijk dat de groei van een kind mede tot stand komt doordat het gaat leren inzien dat er aan allerlei zaken in het leven grenzen zitten. Ook aan (de hoeveelheid) snoepjes, aan diverse toetjes, aan dag- en bedtijd, aan televisie- en telefoontijd, aan papa’s en mama’s, aan van alles. En dat gaan zien en daarmee leren omgaan vormt een wezenlijke bij-drage aan de gezonde ontwikkeling van een kind. Het leert gaandeweg een als teleurstelling beleefde begrenzing te accepteren als deel van de werkelijkheid, en daardoor ontwikkelt het wat ook wel eens met een duurder woord ‘frustratietolerantie’ wordt genoemd, het verdragen en kunnen hanteren van teleurstellingen. Wie dat niet ontwikkelt, en dat lijkt momenteel ook een steeds groter maatschappelijk probleem te worden, die krijgt nog veel irritatie en agressie uit te delen en te verhapstukken. Ook bepaalde wereldleiders lopen hiermee opvallend te koop, zonder dat ze het mogelijke effect hiervan in de gaten hebben. Stof voor een volgende column? Hoe dan ook, wordt vervolgd.
Gijs van der Zalm ©