Afbeelding

Hoe ziek zijn onze verdienmodellen?

Column Gijs van der Zalm

Onze gezondheid is (ons) een groot goed en daar zijn we als beheerder van ons lijf voor en groot deel ook zelf verantwoordelijk voor. En daaromheen heeft zich, onvermijdelijk, ook een wereld gevestigd, die vol hangt met middelen om ons daarbij een beetje te helpen. Deels, maar niet allemaal ‘goed en wel’. Deels, omdat zich daarin allerlei middelen bevinden (duizenden!), die nodig zijn voor onderhoud of herstel van onze gezondheid bij en vaak ook na ziekte of een medische ingreep, middelen die behulpzaam bij allerlei dagelijkse ongemakken (ook duizenden!), en ook nog weer duizenden middelen waarvan niet is vastgesteld dat deze onze gezondheid ten goede komen. Over deze laatste categorie is altijd al veel te doen, en nu eens temeer daar deze wereld ook sterk onder invloed is komen te staan van ‘influencers’, mensen die graag aan de weg timmeren, zodat ze bekend en gezien worden en daarmee goed geld kunnen verdie-nen, meer dan dat ze goed zijn toegerust met kennis en/of ervaringen, waarvan het nuttig kan zijn om deze over te brengen.

Hier lijken technische mogelijkheden (vooruitgang) ertoe te leiden dat onze gezondheid flink achteruit kan gaan. Onlangs hoorde ik een aanstaande grootmoeder vertellen dat ze heel verdrietig was, omdat haar zoon, aanstaand vader, via een ‘influencer’ had gehoord dat het voor een baby niet goed is als deze tijdens de eerste zes maanden na de geboorte in contact komt met oma, zijn moeder dus. Dit vond zijn partner, de aanstaande moeder, eigenlijk ook wel. Het werd verder niet duidelijk of dit aanstaande ouderpaar zich ook had verdiept in wat nu echt van belang is voor een baby in die eerste periode. Wie wil weten wat er wel toe doet leest bijvoorbeeld hierover het boekje “De eerste duizend dagen” van Tessa Roseboom.

Recent is er weer een niet zo onschuldige hype opgestoken m.b.t. afslankmiddelen. Op de markt is al langere tijd een middel waarvan patiënten met een bepaalde vorm van suikerziekte (diabetes mellitus type 2) kunnen profiteren en dat middel heet Ozempic. In de loop van de tijd is dit middel (en vergelijkbare andere, onder een ander naam) echter ook effectief gebleken bij de aanpak van al dan niet ernstig overgewicht. En hierbij lijkt het mis te gaan, want wie wil nou niet met een ‘normaal gewicht’ door het leven. Naast individuele burgers hebben vooral ook de farmaceutische en schoonheidsindustrie zich massaal op de toepassing (en dus de verkoop van dit middel) gestort. Katwijk kan zich zelfs gaan verheugen op de komst van een goot Ameri-kaans farmaceutisch bedrijf, dat dit soort middelen voor Europa gaat maken. Kassa voor Kat-wijk.

Maar erger is dat in Nederland is afgesproken dat iemand, om voor dit middel in aanmerking te komen, een BMI (Body Mass Index) van 27 moet hebben. De BMI (gewicht gedeeld door onze lengte in het kwadraat) meet of u een gezond gewicht hebt: 15-20 ondergewicht (15-18 echt on-gezond), 20 -25 een ‘gezond’ gewicht, 25-30 (ongezond) overgewicht of (30…..): u lijdt onder een ernstig overgewicht (obesitas), heel ongezond. In de landen om ons heem wordt een maat van BMI=30 aangehouden voor het voorschrijven van Ozempic (oid). Wij gaan dat hier, na vaak slordige diagnostiek, al voorschrijven bij een BMI van 27. Natuurlijk is een BMI van 25.1 anders dan één van 29.9. Een gevaar van dit beleid is echter dat mensen met een te overzien, want schommelend overgewicht deze meting en zichzelf door zo’n middel laten medicaliseren. Ze worden ‘overgewichtpatiënt’, en maken zich daarmee afhankelijk van een zogenaamde quickfit, waar deze niet zo onschuldig is. Hierover meer in de volgende column.

Gijs van der Zalm ©

Uit de krant