
Equal pay-day
Column Gijs van der ZalmOp vrijdag 14 november, vorige week dus, was het ‘Equal pay-day’, een dag waarop weer eens goed gekeken wordt naar de inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen. En wat dan dui-delijk wordt, liegt er niet om. In grote lijnen kun je zeggen dat waar mannen de komende ander-halve maand voor hun werk betaald worden, vrouwen dit zelfde werk ‘gratis’ doen, althans, zij worden er niet voor betaald. Ik ben een man, maar ik kan me goed voorstellen dat zoiets bij vrouwen schuurt of boos maakt. Uitgangspunt bij deze metingen is steeds dat het dan wel om hetzelfde opleidingsniveau en dezelfde werkzaamheden gaat.
Inderdaad hebben veel wetenschappers uit allerlei hoeken gewezen op verschillen tussen man-nen en vrouwen: wat zit er in de genen (wat krijgen we dus mee vanaf de geboorte) en wat komt er tot stand door de ontwikkelingen na de geboorte (vaak aangegeven met ‘meisjes spelen met poppen’ en ‘jongens spelen met auto’s’). En als het om kwetsbaarheden gaat: mannen zijn doorgaans afhankelijker, vrouwen zijn zelfstandiger en redden zichzelf dus beter.
Die ‘equal pay-day’ is er dit jaar niet voor het eerst, wat betekent dat dit pijnlijke verschil al de nodige jaren in de aandacht staat en feitelijk ook wel heeft geleid tot enige nivellering van die verschillen. Op de achtergrond speelt een hardnekkig idee over verschillen tussen mannen en vrouwen. En die zijn er zeker, maar of dat die verschillen in honorering van hetzelfde werk rechtvaardigt blijft de vraag. Over die verschillen is er tot nu toe in de wetenschap geen sluitend antwoord gekomen, wat de discussie tussen de pleitbezorgers van ‘gelijk’ of ‘verschillend’ aardig gaande houdt. Om enkele punten in deze discussie te noemen: kracht- en spierverschil, verschil in de structuur van de hersenen, verschil in gevoelsleven, verschil in het oog hebben voor de buitenwereld, verschil in de manier van communiceren (‘mannen zoeken oplossingen’, kijken meer technisch, en vrouwen zoeken verbinding (‘zijn meer gevoelsmatig’). Zolang als deze discussie voortduurt en er ook geen eensluidende conclusies zullen komen, tekenen zich ook twee verschillende benaderingen in deze kwestie af: we moeten bij voorlopig uitsluitsel meer naar aanvaarding van de verschillen streven (‘die verschillen zijn er nu eenmaal’), of we moeten bij uitblijven van harde uitspraken over die verschillen (‘ze zijn er wel, ze zijn er niet’) er naar streven dat die verschillen zoveel mogelijk worden genivelleerd: ongelijke nonnen en monniken, toch gelijke kappen.
U mag er het uwe van vinden, maar ‘gelijk’ hebt u hierbij zeker niet.
Toelichting Gijs:
Discussies over verschillen tussen mannen en vrouwen zijn van alle tijden. En er waren ooit periodes dat deze voor vrouwen ook slecht konden aflopen. Zo erg is het tegenwoordig niet meer, zo lijkt het, maar de ‘Me Too’-beweging maakt(e) toch wel duidelijk dat er aan de verhou-ding tussen mannen en vrouwen nog wel het nodige te verbeteren valt.Een belangrijk verschil dat vaak wordt genoemd en dat ook veel stof kan doen opwaaien is dat tussen de hersenen van mannen en die van vrouwen. Zijn de hersenen van mannen groter dan die van vrouwen? Ja. Maar zijn mannen daarom slimmer? Nee. Waar de mens met gemiddeld zo’n 83 miljard (!) hersencellen verder moet, en we bovendien weten dat vrouwen een kleiner hersenvolume hebben, blijken de laatsten weer wel veel meer verbindingen tussen die cellen te hebben. Wie zich erin wil verdiepen, zal merken dat vrouwen niet zomaar de mindere zijn van mannen. Integendeel zelfs. Wie hier graag over verder leest: “Het vrouwenbrein” is een helder en niet al te moeilijk boek over deze hersenverschillen. Auteur is mevrouw prof. Iris Sommer.